2.Onderwijskundige vormgeving

 

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk geven wij een karakteristiek van ons onderwijs.

Dit doen wij door aan te geven op welke wijze ons onderwijs voldoet aan de kwaliteitscriteria die de overheid hanteert en de kwaliteitscriteria die wij zelf gaan hanteren, uitgaande van onze visie.

De volgende kwaliteitscriteria hanteren wij voor de komende beleidsperiode:

  • Ononderbroken ontwikkeling

  • Brede ontwikkeling

  • Multiculturele samenleving & burgerschap

 

2.2 De wettelijke opdracht van het onderwijs

 

Ononderbroken ontwikkelingsgang

Artikel 8 lid 1 WPO geeft aan: Het onderwijs wordt zodanig ingericht, dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen.

Voor het handelen van de leerkracht betekent dit voor ons:

·                     de leerkracht houdt daar waar nodig en mogelijk rekening met de persoonlijkheid van elk kind

·                     de leerkracht stemt daar waar nodig en mogelijk de activiteiten af op de ontwikkeling van het kind

·                     de leerkracht biedt daar waar nodig en mogelijk het kind de mogelijkheid om in eigen tempo en begaafdheid een minimumpakket binnen de verschillende leer- en vormingsgebieden te doorlopen

·                     de leerkracht biedt daar waar nodig en mogelijk de kinderen een aanvullend programma aan

·                     bij de aanschaf van nieuwe methodes zal steeds worden bezien of er sprake is van een ononderbroken lijn en een leergang voor vier- tot en met twaalfjarigen

 

 

Brede ontwikkeling

Artikel 8 lid 2 WPO geeft aan: Het onderwijs richt zich in elk geval op de emotionele en verstandelijke ontwikkeling, en op het ontwikkelen van creativiteit, op het verwerven van noodzakelijke kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden (brede ontwikkeling).

 

De methodes die wij op school gebruiken, omvatten de leerstofgebieden, die op grond van de wet onderwezen moeten worden. Deze dragen er zorg voor, dat de verschillende terreinen van ontwikkeling aan de orde komen.

Wij hebben bij de keuze van de methodes nadrukkelijk gekeken of binnen deze methodes kinderen kansen krijgen zich de stof op verschillende wijzen eigen te maken. Variatie in werkvormen en instructiewijzen is hierbij van belang.

 

Verder is er in grote mate sprake van brede ontwikkeling bij de volgende onderdelen:

 

Godsdienstige vorming en Leefstijl

Bij deze specifieke vakgebieden wordt bewust gewerkt met kinderen rondom religie en sociaal-emotionele vorming, vanuit een breed perspectief.

 

Breedte sport

Vanuit het bewegingsonderwijs (ondersteund door een gemeentelijk project) maken de kinderen kennis met een grote diversiteit aan sporten, die worden beoefend in de directe omgeving van het dorp.

Om dit een kwaliteitsimpuls te geven, zijn er voor de vereniging twee vakleerkrachten bewegingsonderwijs aangesteld.

 

Kunst en cultuur

Dit is binnen onze schoolvereniging een speerpunt van beleid. Vanuit een eigen cultuurbeleidsplan wordt er gewerkt aan een breed opgezet scala van activiteiten in en buiten de school. Leerkrachten zullen worden bijgeschoold, vakdocenten vanuit de eigen vereniging en vanuit het Centrum voor Kunstzinnige Vorming (via het cultuurmenu van de gemeente Veere) zullen lessen geven.

 

Zie ook 1.4 een EN – EN school!

 

 

Multiculturele samenleving & burgerschap

Artikel 8 lid 3 WPO geeft aan: Het onderwijs gaat er mede van uit dat de leerlingen opgroeien in een multiculturele samenleving.

Burgerschapsvorming  wil voor ons zeggen: het inleiden van kinderen in de samenleving.

Vorming van kinderen tot aangename, verantwoordelijke mensen die met gevoel voor identiteit, respect en vertrouwen kunnen deelnemen aan de levensbeschouwelijke, pluriforme en democratische maatschappij.

Het is het helpen vormen van wie je bent (identiteit), het helpen bij het deelnemen aan de samenleving (participatie), het verwerven van kennis van en het leren omgaan met de principes van de maatschappij (democratie).

Dit alles begint bij ons, volwassenen. Wij moeten onze kinderen bovenal voorleven wat goed burgerschap is door respectvol, beleefd en zorgvuldig met elkaar en de omgeving om te gaan.

 

Identiteit / levensbeschouwing

Burgerschapsvorming begint bij identiteitsvorming. Je moet eerst leren ontdekken wie je zelf bent om goed te functioneren in de maatschappij.

Wij besteden veel aandacht aan levensbeschouwelijke vorming.

Door onze aandacht voor gebed, het vertellen van Bijbelverhalen, christelijke liederen en vieringen krijgen onze kinderen de tradities van het christelijk geloof mee.

De leerkrachten handelen vanuit een christelijke levenshouding.

Aan christelijke waarden en normen (de tien leefregels) wordt belang gehecht.

Eerbied, verwachting, betrokkenheid, zorg voor de ander, gehoorzaamheid en verantwoordelijkheid zijn belangrijke begrippen.

Onze christelijke identiteit komt tot uiting in hoe wij met elkaar omgaan.

Zie Schoolgids 2.3 en 2.5 en Schoolplan 1.3 en 1.4>

 

De school als samenleving

Onze school is een gemeenschap op zichzelf.

Vanuit een veilig schoolklimaat leren kinderen omgaan met elkaar, lief en leed samen delen.

Gezamenlijke beleving stimuleert betrokkenheid.

Voorbeelden: vieringen en feesten.

Acceptatie van verschillen, in kinderen en leerkrachten, maakt dat mensen zichzelf kunnen zijn, dat zij meetellen, van belang zijn.

Voor een goede omgang zijn regels nodig.

Er zijn algemene schoolregels (zie pagina 21 Schoolgids) die door school van bovenaf opgelegd worden. Gehoorzaam zijn, gehoor geven aan de opgelegde regels is hier aan de orde. Daarnaast zijn er regels die samen met de kinderen worden opgesteld. Dit zijn de regels die gelden in de groep. Kinderen en leerkrachten zijn samen verantwoordelijk voor de naleving van deze regels.

Als school willen wij ook niet al te veel vastleggen: wij willen kinderen graag voorleven dat het vanzelfsprekend is dat wij goed met elkaar omgaan!

 

De school als pedagogisch, normatief instituut

De ontwikkeling van normbesef, de ethische opvoeding, is van groot belang.

Wij willen de kinderen leren zorgvuldig met elkaar om te gaan.

Leidraad voor ons zijn de Bijbelse tien regels.

 

De school midden in de samenleving

Onze school is geen eiland. Daarom is betrokkenheid met en zorg voor anderen erg belangrijk. Kinderen zetten zich in voor goede doelen en maken kennis met anderen op micro- en macroniveau.

 

Kennis van en discussie over politiek en maatschappij

Er is aandacht voor actuele gebeurtenissen. Voorbeelden: viering Bevrijdingsdag, Prinsjesdag, verkiezingen.

Dit gebeurt onder andere door middel van spreekbeurten, krantenbeurten, discussies, excursies en presentaties. In de geschiedenismethode is er aandacht voor staatsinrichting.

 

Europees en wereldburgerschap

Onze kinderen worden meer en meer opgevoed als wereldburgers.

Door televisie en internet komt de wereld steeds dichterbij.

Ook reizen gezinnen vaak en brengen steeds meer jongeren een deel van hun studietijd door in het buitenland.

Onze school levert regelmatig een bijdrage aan Edukans. De kinderen  worden betrokken in de projectkeuze.

Wat wij nastreven is dat kinderen zich verantwoordelijk weten voor de naasten (dichtbij en ver weg) en de omgeving en daar naar handelen.

 

 

2.3  Kerndoelen

Kerndoelen zijn streefdoelen die het eind van een leerproces omschrijven.

De didactiek is aan de vakbekwaamheid van de leerkrachten.

De doelen worden zo veel mogelijk op elkaar afgestemd, hebben verbinding met het dagelijks leven en worden in samenhang aangeboden.

Er is aandacht voor doelen die voor alle leergebieden van belang zijn: werkhouding, gebruik van leerstrategieën, reflectie, presenteren, kiezen, plannen, beoordelen.

 

Nederlands

Taalonderwijs is van belang voor het succes dat kinderen in het onderwijs zullen hebben en voor de plaats die ze in de maatschappij zullen innemen.

Taal speelt immers een rol binnen alle leergebieden, taal heeft een sociale functie.

Omdat kinderen taalvaardigheid nu en straks hard nodig hebben in de maatschappij is ons er alles aan gelegen dit vak op hoog niveau te brengen en te houden. Uiteraard doet het ons, juffen en meesters, deugd de kinderen liefde voor onze taal bij te brengen.

  

NEDERLANDS

Mondeling taalonderwijs > 1 De leerlingen leren informatie te verwerven uit gesproken taal. Ze leren tevens die informatie, mondeling of schriftelijk, gestructureerd weer te geven. 2 De leerlingen leren zich naar vorm en inhoud uit te drukken bij het geven en vragen van informatie, het uitbrengen van verslag, het geven van uitleg, het instrueren en bij het discussiëren. 3 De leerlingen leren informatie te beoordelen in discussies en in een gesprek dat informatief of opiniërend van karakter is en leren met argumenten te reageren.

Schriftelijk taalonderwijs > 4 De leerlingen leren informatie te achterhalen in informatieve en instructieve teksten, waaronder schema’s, tabellen en digitale bronnen. 5 De leerlingen leren naar inhoud en vorm teksten te schrijven met verschillende functies, zoals: informeren, instrueren, overtuigen of plezier verschaffen. 6 De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het lezen van school- en studieteksten en andere instructieve teksten, en bij systematisch geordende bronnen, waaronder digitale bronnen. 7 De leerlingen leren informatie en meningen te vergelijken en te beoordelen in verschillende teksten. 8 De leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het schrijven van een brief, een verslag, een formulier of een werkstuk. Zij besteden daarbij aandacht aan zinsbouw, correcte spelling, een leesbaar handschrift, bladspiegel, eventueel beeldende elementen en kleur. 9 De leerlingen krijgen plezier in het lezen en schrijven van voor hen bestemde verhalen, gedichten en informatieve teksten.

Taalbeschouwing, waaronder strategieën > 10 De leerlingen leren bij de doelen onder ‘mondeling taalonderwijs’ en ‘schriftelijk taalonderwijs’ strategieën te herkennen, te verwoorden, te gebruiken en te beoordelen. 11 De leerlingen leren een aantal taalkundige principes en regels. Zij kunnen in een zin het onderwerp, het werkwoordelijk gezegde en delen van dat gezegde onderscheiden. De leerlingen kennen regels voor het spellen van werkwoorden, regels voor het spellen van andere woorden dan werkwoorden en regels voor het gebruik van leestekens. 12 De leerlingen verwerven een adequate woordenschat en strategieën voor het begrijpen van voor hen onbekende woorden. Onder ‘woordenschat’ vallen ook begrippen die het leerlingen mogelijk maken over taal te denken en te spreken.

 

Om deze doelen te verwezenlijken, gebruiken wij de volgende methodes:

Taal

Schatkist nieuw                                           - Zwijsen 2005                       - groep 1 en 2

Taal in beeld                                                 - Zwijsen 2006                       - groep 4 t/m 8

 

Leesvaardigheid

Technisch lezen en voortgezet technisch lezen

Schatkist nieuw                                           - Zwijsen 2005                        - groep 1 en 2

Veilig leren lezen nieuw                               - Zwijsen 2004                        - groep 3 en 4

Estafette                                                      - Zwijsen 2005                        - groep 4, 5, 6

 

Begrijpend lezen

Tussen de regels                        - Zwijsen 2006              - groep 4 t/m 8

 

Schrijfvaardigheid

Mijn eigen handschrift                               - De Ruiter 2003                     - groep 1 t/m 8

 

Percentage van de onderwijstijd: 28%

 

Engels

Door de toenemende internationalisering wordt beheersing van de Engelse taal voor iedereen steeds belangrijker.  Redelijke beheersing van de Engelse taal wordt bereikt wanneer vroeg met het onderwijs wordt begonnen. Doel is om een eerste basis te leggen om te kunnen communiceren met Engelssprekenden.

 

ENGELS

> 13 De leerlingen leren informatie te verwerven uit eenvoudige gesproken en geschreven Engelse teksten. 14 De leerlingen leren in het Engels informatie te vragen of te geven over eenvoudige onderwerpen en zij ontwikkelen een attitude waarbij zij zich durven uit te drukken in die taal. 15 De leerlingen leren de schrijfwijze van enkele eenvoudige woorden over alledaagse onderwerpen. 16 De leerlingen leren om woordbetekenissen en schrijfwijzen van Engelse woorden op te zoeken met behulp van het woordenboek.

 

Real English, lets do it!                                - Becadidact  2003                 - groep 7 en 8

Percentage van de onderwijstijd: 2%

 

REKENEN/WISKUNDE

 Wiskundig inzicht en handelen > 23 De leerlingen leren wiskundetaal gebruiken. 24 De leerlingen leren praktische en formele reken-/wiskundige problemen op te lossen en redeneringen helder weer te geven. 25 De leerlingen leren aanpakken bij het oplossen van reken-/wiskundige problemen te onderbouwen en leren oplossingen te beoordelen.

Getallen en bewerkingen > 26 De leerlingen leren structuur en samenhang van aantallen, gehele getallen, kommagetallen, breuken, procenten en verhoudingen op hoofdlijnen te doorzien en er in praktische situaties mee te rekenen. 27 De leerlingen leren de basisbewerkingen met gehele getallen, in elk geval tot 100, snel uit het hoofd uit te voeren, waarbij optellen en aftrekken tot 20 en de tafels van buiten gekend zijn. 28 De leerlingen leren schattend tellen en rekenen. 29 De leerlingen leren handig optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen. 30 De leerlingen leren schriftelijk optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen volgens meer of minder verkorte standaardprocedures. 31 De leerlingen leren de rekenmachine met inzicht te gebruiken.

Meten en meetkunde > 32 De leerlingen leren eenvoudige meetkundige problemen op te lossen. 33 De leerlingen leren meten en leren te rekenen met eenheden en maten, zoals bij tijd, geld, lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud, gewicht, snelheid en temperatuur.

Schatkist nieuw                                            - Zwijsen 2005                       - groep 1 en 2

Pluspunt (nieuw)                                           - Malmberg 2002                    - groep 1 t/m 8

Percentage van de onderwijstijd: 20%

 

ORIËNTATIE OP JEZELF EN DE WERELD

Mens en samenleving > 34 De leerlingen leren zorg te dragen voor de lichamelijke en psychische gezondheid van henzelf en anderen. 35 De leerlingen leren zich redzaam te gedragen in sociaal opzicht, als verkeersdeelnemer en als consument. 36 De leerlingen leren hoofdzaken van de Nederlandse en Europese staatsinrichting en de rol van de burger. 37 De leerlingen leren zich te gedragen vanuit respect voor algemeen aanvaarde waarden en normen. 38 De leerlingen leren hoofdzaken over geestelijke stromingen die in de Nederlandse multiculturele samenleving een belangrijke rol spelen, en ze leren respectvol om te gaan met verschillen in opvattingen van mensen. 39 De leerlingen leren met zorg om te gaan met het milieu.

Natuur en techniek > 40 De leerlingen leren in de eigen omgeving veelvoorkomende planten en dieren te onderscheiden en te benoemen en leren hoe ze functioneren in hun leefomgeving. 41 De leerlingen leren over de bouw van planten, dieren en mensen en over de vorm en functie van hun onderdelen. 42 De leerlingen leren onderzoek doen aan materialen en natuurkundige verschijnselen, zoals licht, geluid, elektriciteit, kracht, magnetisme en temperatuur. 43 De leerlingen leren hoe je weer en klimaat kunt beschrijven met behulp van temperatuur, neerslag en wind. 44 De leerlingen leren bij producten uit hun eigen omgeving relaties te leggen tussen de werking, de vorm en het materiaalgebruik. 45 De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen, deze uit te voeren en te evalueren. 46 De leerlingen leren dat de positie van de aarde ten opzichte van de zon, seizoenen en dag en nacht veroorzaakt.

Ruimte > 47 De leerlingen leren de ruimtelijke inrichting van de eigen omgeving te vergelijken met die in omgevingen elders, in binnen- en buitenland, vanuit de perspectieven landschap, wonen, werken, bestuur, verkeer, recreatie, welvaart, cultuur en levensbeschouwing. In ieder geval wordt daarbij aandacht besteed aan twee lidstaten van de Europese Unie en twee landen die in 2004 lid werden, de Verenigde Staten en een land in Azië, Afrika en Zuid-Amerika. 48 Kinderen leren over de maatregelen die in Nederland genomen worden/werden om bewoning van door water bedreigde gebieden mogelijk te maken. 49 De leerlingen leren over de mondiale ruimtelijke spreiding van bevolkingsconcentraties en godsdiensten, van klimaten, energiebronnen en van natuurlandschappen zoals vulkanen, woestijnen, tropische regenwouden, hooggebergten en rivieren. 50 De leerlingen leren omgaan met kaart en atlas, beheersen de basistopografie van Nederland, Europa en de rest van de wereld en ontwikkelen een eigentijds geografisch wereldbeeld.

Tijd > 51 De leerlingen leren gebruik te maken van eenvoudige historische bronnen en ze leren aanduidingen van tijd en tijdsindeling te hanteren. 52 De leerlingen leren over kenmerkende aspecten van de volgende tijdvakken: jagers en boeren; Grieken en Romeinen; monniken en ridders; steden en staten; ontdekkers en hervormers; regenten en vorsten; pruiken en revoluties; burgers en stoommachines; wereldoorlogen en holocaust; televisie en computer. 53 De leerlingen leren over de belangrijke historische personen en gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis en kunnen die voorbeeldmatig verbinden met de wereldgeschiedenis.

 

Aardrijkskunde en samenleving

Geobas (nieuw)                                            - Wolters-Noordhoff 2002                  - groep 1 t/m 8

 

Geschiedenis en samenleving

Bij de tijd (nieuw)                                       - Wolters-Noordhoff 2003                  - groep 3 t/m 8

 

Natuur/milieu/techniek/gezond en redzaam gedrag

Leefwereld                                                   - Jacob Dijkstra  1996                      - groep 1 t/m 8         

Ontdekkasteel                                             - 2005                                                                  - groep 1 t/m 8

 

Klaar over                                                     - Wolters-Noordhoff 2002                  - groep 3 t/m 8

Op Voeten En Fietsen                                  - Veilig Verkeer Nederland            - groep 5 en 6

Jeugdverkeerskrant                                   - Veilig Verkeer Nederland            - groep 7

 

Leefstijl                                                        - Lions-Quest 2002                           - groep 1 t/m 8

 

Godsdienstonderwijs / Burgerschap

 

Woord zonder grenzen                                - Jacob Dijkstra                            - groep 1 t/m 8

Leefstijl                                                        - Lions-Quest 2002                           - groep 1 t/m 8

Percentage van de onderwijstijd: 30%

 

 

KUNSTZINNIGE ORIËNTATIE

> 54 De leerlingen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging te gebruiken, om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om ermee te communiceren. 55 De leerlingen leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.

 

Moet je doen                                                 - Meulenhof   2007                             - groep 1 t/m 8

Percentage van de onderwijstijd: 10%

 

Cultuurmenu

Eens per jaar ontvangen wij van Kunst Educatie Walcheren een cultuurmenu.

De diverse disciplines komen verspreid over de acht jaar basisonderwijs aan de orde.

De disciplines (actief en receptief): literair, beeldend, muziek en dans, drama, cultureel erfgoed, audiovisueel.

 

Museumbezoek

Gedurende de acht jaar dat de kinderen bij ons op school zitten, bezoeken zij in elk geval:

Het MuZEEum, het Zeeuws Museum, het Marie Tak van Poortvlietmuseum en de Zeeuwse Bibliotheek.

 

Onze vakdocent / cultuurcoördinator

  • verzorgt lessen beeldende vorming

  • initieert nieuwe ideeën

  • enthousiasmeert en informeert het team

  • evalueert het cultuurmenu

 

BEWEGINGSONDERWIJS > 56 De leerlingen verwerven enige kennis over en krijgen waardering voor aspecten van cultureel erfgoed. 57 De leerlingen leren op een verantwoorde manier deelnemen aan de omringende bewegingscultuur en leren de hoofdbeginselen van de belangrijkste bewegings- en spelvormen ervaren en uitvoeren. 58 De leerlingen leren samen met anderen op een respectvolle manier aan bewegingsactiviteiten deelnemen, afspraken maken over het reguleren daarvan, de eigen bewegingsmogelijkheden inschatten en daarmee bij activiteiten rekening houden

 

Basislessen Bewegingsonderwijs    - van Gelder en Stroes                    - groep 1 t/m 8

Bewegingsonderwijs                        - 't Web

Percentage van de onderwijstijd: 10%

 

2.4 Kinderen die extra zorg behoeven

In de afgelopen jaren is een basis gelegd in de vorm van een samenhangend systeem van leerlingenzorg.

·                     in onze school volgen de leerkrachten de ontwikkeling (basisvaardigheden en sociaal-emotionele ontwikkeling) systematisch en signaleren hierin tijdig problemen

·                     in onze school worden de gegevens van de leerlingen volgens een vaste procedure besproken en eventueel nader geanalyseerd

·                     op gezette tijden stelt de leerkracht in overleg met de intern begeleider vast welke problemen kinderen ondervinden in het leer- en ontwikkelingsproces (HandelingsGerichteProcesDiagnostiek)

·                     na zorgvuldige vaststelling van de aard van de problemen en de oorzaken bepaalt de leerkracht/zorgcoördinator welk programma er  nodig is en houden zij bij op welke wijze de kinderen verder geholpen kunnen worden

·                     de leerkracht stelt samen met de intern begeleider aan de hand van de verzamelde gegevens een plan op om het onderwijs aan de behoefte van de leerling aan te passen, met het oog op het realiseren van minimum- en aanvullende doelen

·                     bij zowel analyse als planning en evaluatie maken wij als school waar nodig gebruik van de deskundigheid en de ervaringen van collega’s binnen het samenwerkingverband en/of externe deskundigen

·                     de leerkracht voert de opgestelde plannen binnen de klas uit. Indien nodig wordt hulp buiten de klas verzorgd

·                     de leerkracht evalueert samen met de intern begeleider de uitvoering van de plannen en zorgt ervoor dat er voortgangsbeslissingen worden genomen

·                     de intern begeleider draagt zorg voor de coördinatie van de activiteiten in het kader van de leerlingenzorg

·                     de concrete afspraken, procedures, contacten met de ouders en formulieren zijn beschreven in het boekje ”Hoe gaat het ermee?”. Elke leerkracht heeft een overzicht van de afspraken, procedures en formulieren die voor iedereen gelden (afspraken-ABC)

Wij gebruiken methodegebonden en methodeonafhankelijke toetsen (toetskalender).

Wij hebben een IB'er en een remedial teacher.

 

2.5 Regeling leerlinggebonden financiering

Als ouders voor hun geïndiceerd kind toelating vragen tot een van onze scholen, moeten wij als school daar op basis van ons zorgbeleid een antwoord op geven.

Uitgangspunten op verenigingsniveau zijn:

  • de beslissing tot plaatsing wordt gedragen door het hele team

  • ieder jaar vindt er een evaluatie plaats

  • naar aanleiding van de evaluatie wordt bekeken of de plaatsing gecontinueerd kan worden

  • eventuele hulpverleners die binnen de school komen, moeten deskundigen zijn met bijvoorbeeld een onderwijskundige of pedagogische achtergrond

  • zij moeten de doelstellingen en uitgangspunten van onze vereniging respecteren

 

2.6 Onderwijs aan langdurig zieke kinderen

Artikel 9a WPO gaat over: Ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen.

1. Bij het geven van onderwijs aan een leerling die is opgenomen in een ziekenhuis of die in verband met ziekte thuis verblijft, kan het bevoegd gezag van een school worden ondersteund.

2. De ondersteuning, bedoeld in het eerste lid, wordt verzorgd door:

a. een educatieve voorziening bij een academisch ziekenhuis of

b. een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 179, indien de leerling is opgenomen in een ziekenhuis niet zijnde een academisch ziekenhuis dan wel indien de leerling in verband met ziekte thuis verblijft.

 

Sinds 1 augustus 1999 zijn basisscholen zelf verantwoordelijk voor het onderwijs aan langdurig zieke kinderen. Een uitzondering hierop zijn kinderen die in een academisch ziekenhuis worden behandeld.

Het gaat om die kinderen die gedurende langere tijd in een ziekenhuis zijn opgenomen of langdurig ziek thuis zijn.  

Het is van groot belang dat de school tijdens het ziek zijn contacten organiseert met het zieke kind. Het is natuurlijk belangrijk ervoor te zorgen dat het leerproces zo goed mogelijk doorloopt.  Nog belangrijker is het gevoel van het zieke kind  ”erbij te blijven horen”.  Dat kan op allerlei manieren plaatsvinden. Het zieke kind kan worden bezocht door de groepsleraar en medeleerlingen en/of op bepaalde tijden volgens afspraak de school bezoeken.  Als dit om medische redenen niet mogelijk is, kan gebruikgemaakt worden van bijvoorbeeld e-mail en webcam.

Het spreekt vanzelf, dat brieven, kaartjes en tekeningen een belangrijke rol spelen in het onderhouden van het contact tussen school en het zieke kind.

Per situatie wordt bekeken wat de mogelijkheden zijn. Veel hangt af van de medische behandeling en de draagkracht van kind, ouders en school.

De school kan deze activiteiten natuurlijk alleen in goed overleg met de ouders van het zieke kind uitvoeren. Volgens de wet: Voor ondersteuning aan zieke leerlingen kan de school een beroep doen op de schoolbegeleidings-dienst.  In Zeeland is dat het RPCZ.

Medewerkers van het RPCZ kunnen scholen helpen bij het zo goed mogelijk begeleiden van het onderwijsproces tijdens de ziekteperiode.

De procedure die wij binnen onze school volgen om in zo’n geval beslissingen te kunnen nemen, is als volgt:

1.              Als duidelijk is dat een leerling van onze school langer dan twee weken in een ziekenhuis wordt opgenomen of ziek thuis is, neemt de groepsleerkracht en/of de intern begeleider van de school contact op met de ouders om de situatie door te spreken.

2.             De groepsleerkracht(en) en de intern begeleider nemen in overleg met de directie en de ouders van het zieke kind het besluit wel of geen externe hulp van de schoolbegeleidingsdienst in te schakelen.

3.             De school ontwikkelt in overleg met de ouders een planmatige aanpak (wel of niet met externe begeleiding).

4.             De school blijft verantwoordelijk voor de te ontwikkelen en uit te voeren aanpak. Tijdens het uitvoeren van de aanpak vindt regelmatig overleg met de ouders plaats.

 

 

 

 

 
 
overleg met de ouders een planmatige aanpak (wel of niet met externe begeleiding).

4.             De school blijft verantwoordelijk voor de te ontwikkelen en uit te voeren aanpak. Tijdens het uitvoeren van de aanpak vindt regelmatig overleg met de ouders plaats.